Per ongeluk verliefd

Per ongeluk verliefd

Het gebeurt iedereen wel eens.  Opeens ben je verliefd. Je wilt het niet, maar het gebeurt gewoon.  Niets wat het tegen kan houden. Verschrikkelijk gewoon. Het is mij ook gebeurd. Ik wilde het absoluut niet, maar er was niks meer aan te doen. Ik ben verloren. Hopeloos verloren. Ik sta aan de rand van een afgrond en ik kan alleen nog maar springen. Niemand die me nog kan redden. Ik kan alleen maar hopen dat mijn parachute open zal gaan. Dat ik zal vliegen naar wolken die nog dieper roze zijn dan die waar ik nu al op zit. En ik kan alleen maar hopen dat ik een zachte landing zal maken, want niemand had ooit kunnen bedenken dat dit zou gebeuren. Dat dit mij zou overkomen.

Ik ben Evie Schouten. Ik heb op mijn vijfde gezworen, nadat mijn hart gebroken was, dat ik nooit meer verliefd zou worden. Nu voor het eerst in vijfentwintig jaar voel ik kriebels in mijn buik. En ik ben nog nooit zo bang geweest.

Crazy little thing called love. (Queen) 

Het begin

Augustus 1990

‘Ik zweer plechtig dat ik nooit meer verliefd zal worden en al zeker niet op van die stomme rotjochies als Bart.’ Met tranen in mijn ogen zat ik tegenover Sam, mijn zus. Ze was de enige die overal vanaf wist.  Van begin tot eind. Ze was al bijna acht jaar oud, twee jaar ouder dan ik en ze wist zoveel meer van de liefde.  Zij had al eens hand in hand gezeten met Dirk de Jong. 

Tot een uur geleden was dat ook alles wat ik wilde. Hand in hand zitten met Bart. Nu huilde ik tranen met tuiten en zat ik hand in hand met mijn zus. We waren naar ons eigen strandje gegaan. Of liever gezegd, ik was naar ons strandje gerend en Sam was me achterna gekomen. Ze had alles van een afstandje gezien. Ze had me aangemoedigd om naar hem toe te gaan. Ik had dat gedaan en nu wilde ik dat ik nooit naar haar had geluisterd. Het was verschrikkelijk geweest. Bart had me uitgelachen toen ik zei dat ik van hem hield. Hij had me een stomme malle meid genoemd en hij wilde nooit maar dan ook nooit mijn hand vasthouden. Nooit van zijn hele leven niet. Hij lachte zo hard dat het zeer deed aan mijn oren en vertelde het zijn vriendjes. Die begonnen ook te lachen en te roepen. ‘Evie Schouten is verlie-iefd.’ Ik kreeg de tranen in mijn ogen en ben zo hard als ik kon gaan rennen.

‘Je kunt hem maar beter vergeten Eefje. Hij is een stomme eikel.’ Sam ratelde maar door en ik geloofde alles wat ze zei. Behalve dan dat ze zei dat ik ooit wel weer een leuke jongen zou ontmoeten.  Iemand waar ik verliefd op zou worden en met wie ik misschien wel zou gaan trouwen als ik later groot zou zijn. ‘Zo.’ zei ze terwijl ze de tranen van mijn wangen veegde. ‘ Ik wil nu geen tranen meer zien. Hij is je tranen niet waard.’ Ze glimlachte naar me en ik merkte dat ze goed opgelet had toen mama tante Betsie aan het troosten was geweest. 

Tante Betsie is de zus van mama en moet elke maand getroost worden.  Misschien wordt ze wel elke maand uitgelachen door een stel rotjochies. Dat is eigenlijk helemaal niet leuk en meteen voel ik met haar mee. De tranen wellen weer op in mijn ogen, maar Sam veegt ze weer weg. ‘Nooit meer huilen om een man.’ Zegt ze. Weer hoor ik mama praten.

De schaduw en het licht

Anne loopt op haar tenen naar de deur. Als haar moeder erachter komt dat ze er stiekem vandoor wilt gaan heeft ze een probleem. Haar moeder wil niet dat ze er zo vroeg op uit trekt. Het is dan te gevaarlijk bij de rivier. Kwade geesten dwalen dan nog rond zegt ze altijd. De geesten die in het donker tevoorschijn komen, zijn niet met het eerste ochtendlicht verdwenen. Ze proberen hun tijd hier op aarde zo lang mogelijk te rekken en vertrekken pas weer als de zon hoog aan de hemel staat en op zijn sterkst is. Over het algemeen luistert Anne zo goed mogelijk naar haar moeder, maar het is een verschrikkelijk hete zomer. De dagen duren lang en de nachten zijn heet. Anne kan zicht niet herinneren dat ze ooit zo’n hete zomer heeft meegemaakt. De warmte in de hut is ondraaglijk. Anne slaapt er slecht door. Dit alles bij elkaar zorgt ervoor dat ze samen met haar vriendin Liese heeft afgesproken om toch naar de rivier te gaan. Als ze buiten is loopt ze eerst nog een stukje bij de hut vandaan voordat ze haar slippers aan trekt. Dan rent ze er als een speer vandoor richting de rivier. Anne en Liese hebben samen een verstopplek waar ze hebben afgesproken om op elkaar te wachten. Liese is er nog niet en dus wacht Anne daar op haar. Een klein beetje nerveus is ze wel. De woorden van haar moeder dwalen rond in haar gedachten. Dat het vroege ochtendlicht schaduwen werpt bij de struiken dicht langs de rivier en de rivier donkerder kleurt dan hij is, doet er niet veel goed aan. Liese blijft lang weg. Misschien is ze door haar moeder betrapt, misschien is ze nog onderweg. Anne besluit nog even te wachten en dan terug te gaan naar huis. Het is de straf van haar moeder niet waard om nog langer te wachten. Verlangend kijkt ze naar het water dat er erg aantrekkelijk uit begint te zien naarmate het lichter wordt. Ze had dolgraag een duik willen nemen, maar ze durfde niet alleen. Zij en Liese zouden samen gaan. Anne keek nog eens naar de zon. Ze moest hier al zeker een half uur zitten te wachten. Liese was er nog steeds niet. Ze keek nog eens goed rond en stond toen op uit haar schuilplaats. Er waren geen geesten te zien geweest. Ze lachte om haar moeders onnozelheid. Ze wilde net op weg gaan naar huis toen ze een tak hoorde breken. Ze schrok en keek snel naar de rand van het bos. Het was daar nog donkerder dan waar Anne had gezeten en ze kon slechts een schaduw ontdekken. Ze bedacht zich geen moment en gleed terug haar schuilplaats in. Haar moeders waarschuwende woorden schoten weer door haar hoofd. Geschrokken keek ze rond. Ze keek naar het pad waar ze langs moest om naar huis te kunnen. Het loopt voor een gedeelte vlak langs de rand van het bos. Op het punt waar het pad naar het dorp afbuigt ziet ze iets waar ze nog harder van schrikt als van de schaduw aan de rand van het bos. Liese. Anne hoort alle alarmbellen in haar hoofd af gaan. Verschrikt kijkt ze van Liese naar de schaduw en weer terug. Een vreemde wind steekt op en het word donkerder. Liese lijkt het niet te merken. Ze loopt vrolijk door. Anne kan haar horen zingen in de wind. Ze kan zelfs zien dat ze lacht tijdens het zingen. Al Anne ‘s zintuigen staan op scherp. Weer kijkt ze naar de rand van het bos waar de schaduw is, maar ze kan hem niet meteen ontdekken. Ze kijkt en zoekt. Dan kijkt ze weer naar Liese en heeft ook meteen de schaduw gevonden. Hij is vlak bij haar. Hij loert naar haar en wacht tot ze dichterbij komt. Anne staat weer op. De schaduw lijkt haar plotselinge beweging te hebben gezien, want ze voelt dat hij naar haar kijkt. Ze voelt een ijzige donkere blik over haar heen gaan, maar de schaduw kijkt dan weer naar Liese. Anne is voor hem te ver weg. Ze voelt het in haar hele lichaam. De schaduw wil Liese. Anne rent een klein stukje richting Liese. Ze roept haar vriendin en maakt bewegingen met haar armen dat ze weg moet gaan. Liese kijkt op naar Anne en begint te lachen. Ze zwaait en lijkt niet te begrijpen dat Anne niet wilt dat ze verder gaat. De schaduw is ook in Lieses richting gegleden. Het wacht op haar waar het bos begint. Liese is bijna bij de schaduw. Anne begint weer te rennen. Ze schreeuwt naar Liese, “ga weg, vlucht,” maar Liese lacht alleen maar. Ze loopt verder, dichter richting de schaduw. Het begint te regenen. Hoe kan het regenen op dit moment? Hoe kan de wind zo koud zijn? Anne rent verder en blijft schreeuwen naar Liese dat ze moet vluchten, maar Liese hoort haar niet. Anne valt en komt met een harde smak op de grond terecht. Huilend kijkt ze op naar haar vriendin. Liese stopt met lopen en lijkt geschrokken te zijn van Anne ’s val. ‘Vlucht Liese, vlucht.’ Anne had het willen schreeuwen, maar het was slechts een gefluister wat ze voortbracht. ‘Wat?’ schreeuwt Liese naar haar. Anne ziet de schaduw achter Liese verschijnen. Hij heeft haar bijna te pakken. Anne raakt in paniek en krabbelt snel overeind. Ze wil weer rennen, maar haar benen werken niet mee. Hevige pijnscheuten schieten in haar knieën en ze kan slechts een paar kleine stapjes zetten. Ze is nog te ver weg. De schaduw wordt groter naarmate hij dichter bij Liese komt. Liese staat in een helder licht. Het lijkt of de zon alleen op haar zijn stralen schijnt. Tranen wellen op in Anne ’s ogen. Achter Liese is alles donker. Zelfs als ze nu om zou draaien, zou ze door de schaduw verslonden worden. Tranen stromen nu over haar wangen. ‘Vlucht.’ Roept ze zo hard ze kan. Ze legt al haar angsten en emoties in dat ene woord. Liese lijkt haar gehoord te hebben. Ze kijkt Anne verwart en vragend aan. Dan voelt ze dat de schaduw achter haar is en ze draait zich langzaam om. Ze staat verstijfd een moment lang te kijken. Dan heel langzaam draait ze zich nog om naar Anne. Ze glimlacht en tranen stromen over haar wangen. Liese beseft heel goed wat er staat te gebeuren. Ze weet dat dit het einde is. Ze lijkt nog iets tegen Anne te zeggen voordat ze verslonden word door de schaduw. Alles is nu donker waar Liese stond. Anne kan niet anders dan blijven kijken. Langzaam word de schaduw weer kleiner, totdat het weer zijn eerste vorm heeft. Het kijkt weer naar Anne. Ze voelt weer zijn ijzige donkere blik op haar rusten. Dan verlaat hij de rand van het bos. Hij komt langzaam dichterbij. Anne struikelt naar achteren. De schaduw heeft nog niet genoeg gehad. Hij wil haar ook. Is dit een van de geesten waarvoor haar moeder haar gewaarschuwd heeft? Waarom heeft ze niet naar haar moeder geluisterd? Waarom is ze niet in de hut gebleven? Ze kijkt om zich heen. Boven het water schijnt een helder licht. Het lijkt haar te roepen. Het lijkt vanuit de diepte van de rivier te komen. Ze kijkt nog eens rond. Aan de ene kant is het donker en komt de schaduw op haar af, aan de andere kant is de rivier die een helder licht schijnt. Ze rent richting het water. Ze is niet van plan haar leven aan de schaduw te geven. Ze heeft geen idee wat er gebeurd als ze in de rivier springt, maar ze kan alleen maar hopen dat het beter is dan wat de schaduw voor haar in petto heeft. Angstig kijkt ze achterom. Naarmate ze dichter bij het water komt lijkt de schaduw sneller te gaan. Hij wil haar niet laten gaan. Hij wil haar hebben. Anne rent zo snel haar gekneusde knieën het toelaten. Ze voelt dat de schaduw vlak achter haar zit. Ze is er bijna. Ze neemt een duik en ze voelt nog net dat de schaduw naar haar enkels grijpt voordat het water haar omsluit. Ze zwemt naar het licht in het midden van de rivier. Een ijzige schreeuw komt van de oever. Ze kijkt naar de schaduw en ziet dat hij woest is. Boven het land waar hij hangt is het zo zwart als de nacht terwijl de dag al lang begonnen is. Dan trekt de schaduw zich terug. Langzaam word het lichter en begint de zon weer te schijnen. Anne voelt de warme stralen op haar gezicht. Nog even later lijkt het alsof alles maar een boze droom is geweest. Alsof de schaduw nooit hier geweest is en Liese heeft meegenomen. Een hert met haar jong komt uit het bos gelopen op de plaats waar de schaduw verdwenen is. Ze lopen snel naar het water om wat te drinken. Ze staan heel dichtbij. Anne kijkt er verwonderd naar en begint te huilen. Dan schrikt het hert en kijkt met haar grote bruine ogen Anne recht aan. Een moment lang staren ze in elkaars ogen en Anne voelt een rust over zich heen komen. Ze knippert met haar ogen om de tranen weg te krijgen en als ze weer opkijkt, is het hert met haar jong verdwenen. Er zit niets anders meer op dan naar huis te gaan en te vertellen wat er gebeurd is. Ze begint naar de kant te zwemmen, maar vlak voordat ze uit het water kan klimmen is er iets wat haar grijpt. Ze wordt aan haar enkels naar beneden getrokken. Ze probeert los te komen en zwemt weer naar boven, maar wat het ook is dat haar vast heeft, het is te sterk. Anne verdwijnt in de diepte. Ze houdt haar adem zo lang mogelijk in, maar het duurt te lang. Haar longen willen zich met zuurstof vullen en automatisch opent ze haar mond om te ademen. Ze voelt hoe het water haar mond binnen komt en ze doet een laatste poging om naar de oppervlakte te zwemmen. Ze komt met een hand nog boven het water uit, maar dan word ze zo krachtig naar beneden getrokken dat ze niet anders meer kan. Ze geeft zich over. Ze sluit haar ogen en wacht tot de dood haar komt halen.

Het leven van een brandweer vrouw

Ik schrik op van het schelle geluid. Iets waar ik midden in de nacht nooit aan zal wennen. De pieper ligt op het nachtkastje te trillen. Er word gekeken en weer terug gelegd. Brand gebouw is de melding, maar geen dienst. Net als de adrenaline wat is weggeëbd gaat na twee minuten de pieper weer. Brand is opgeschaald naar middelbrand. Manlief springt uit bed, schiet snel iets aan en gaat op weg. ‘Voorzichtig’ roep ik hem na. Een van de kinderen roept ‘dag papa’, nog net voor hij de deur uit gaat roept hij ‘dag liefje’. Ik doe het licht weer uit en besluit verder te gaan slapen. Makkelijker gezegd dan gedaan. Mijn gedachten zijn te druk met de dagelijkse dingen. Een blik op de klok zegt me dat ik zeker nog drie uur zou moeten slapen. Ik draai me om en probeer het nog eens. Dat het buiten enorm waait en af en toe regent helpt niet echt mee. Dan hoor ik opnieuw sirenes. Omdat mijn man weg is en ik over de mogelijkheden beschik, kijk ik op mijn app om te zien wat het is. Mijn instinct zegt me dat het met deze brand te maken heeft. Een vaag soort buikpijn en een misselijk gevoel steken de kop op. De brand is opgeschaald naar grip 1. Mijn man is daar. Vrienden van mijn man zijn daar. Mannen die ik ook ken, van verhalen, van avonden dat wij brandweer vrouwen er ook zijn. Gezellige avonden voor de ontspanning, voor de waardering en erkenning van deze vrijwillige brandweermensen. Op dit moment vouw ik mijn handen ineen en knijp met mijn ogen als een klein kind dat graag iets wil. Ik vraag mijn dierbare daarboven om goed op mijn man te passen. Dat hij weer veilig thuis komt. Dat hij thuis komt zoals hij ook vertrokken is. De meest vreselijke scenario’s gaan door mijn op tilt geslagen gedachten. Het stemmetje dat zegt dat ik niet zo gek moet doen is ver te zoeken op dit moment. Ik heb een minuutje nodig om tot mezelf te komen. God zijn dank dat de kinderen gewoon doorslapen. Ik luister naar de wind. Geen goede omstandigheden voor een brand. Toch begin ik te kalmeren. Een vertrouwde stem dringt zich steeds meer op de voorgrond. Hij is oké, hij heeft zijn opleiding gehad en is geen “groentje” meer. De oefenavonden die hij trouw bezoekt zijn er niet voor niks. Het komt goed. Het misselijke gevoel verdwijnt niet, net als de vage buikpijn. Ze zijn mijn trouwe kompanen als mijn man er niet is. Het maakt niet uit wat voor een inzet het is, ze zijn er altijd.

Inmiddels is er anderhalf uur verstreken. Ik ben klaarwakker. Ik ben aan het wachten tot hij thuiskomt. Dat kan nog wel even duren. Dat weet ik uit ervaring. Misschien val ik zo nog even in slaap. Bijna begint de nieuwe dag. Het zal over een uurtje licht worden. Ik zou willen dat ik kon slapen. Slapen voor ons beide, want als hij thuiskomt kan hij niet slapen. Niet omdat hij niet moe zal zijn, maar omdat hij moet gaan werken. Mijn man is bij de vrijwillige brandweer en dat houd in dat hij net als zijn meeste brandweer collega’s van dit korps een baan heeft naast de brandweer. Het werk gaat dus door. Gemaakte afspraken moeten nagekomen worden.

Ik zou willen dat hij thuis kwam, zodat ik me geen zorgen meer hoefde te maken. Ik kijk nog eens op mijn app. Al een uur lang geen meldingen meer met betrekking tot dit voorval. Ik ga mijn pen neerleggen en proberen te slapen. We hebben hier samen voor gekozen op het moment dat hij me vroeg ‘zal ik bij de vrijwillige brandweer gaan?’ Al s hij straks thuiskomt wil ik er voor hem zijn. Ik zal luisteren naar zijn verhalen, troost bieden waar nodig. Het zijn serieuze verhalen van echte gebeurtenissen. Ik kan alleen maar hopen op verhalen met een goede afloop. Dat iedereen veilig naar huis is kunnen gaan. Ik kom tot een conclusie. Brandweervrouw ben je ook voor het leven.

Parallel

Ik hoor alles. Ik zie alles. Ik ruik alles. Ik voel alles. Ik kan zelfs alles proeven. Ik ben er wel en toch ook weer niet. Het is moeilijk te begrijpen, maar toch is het zo. Ik leef in dezelfde wereld als jij maar toch ook weer niet. Jij en ik zijn dezelfde persoon, maar toch ook weer niet. We leven allebei op de planeet aarde, maar toch is de aarde bij jou anders dan bij mij. Onze levens zijn heel anders en toch ook heel erg met elkaar verbonden. Jouw aarde is bijvoorbeeld heel erg kaal, saai en grijs. Mijn aarde is vol met kleuren, vol met leven en zeker niet saai. Maar voor ik je alles over mijn aarde kan vertellen moet ik je eerst helpen. Ik moet je helpen om de oversteek te maken. De oversteek naar mijn wereld, mijn aarde, mijn leven. Voor je in mijn wereld kan komen moet je eerst sterven. Niet schrikken. Je sterft niet echt, maar toch ook weer wel. Je sterft in jouw wereld, maar leeft verder in mijn wereld. We zijn verbonden, jij en ik. Ik ben jou en jij bent mij. We horen samen te zijn, maar zijn het niet. Jij leeft in jouw wereld en ik leef in mijn wereld.
Laten we beginnen. Laten we beginnen met de oversteek. Stapje voor stapje neem ik je mee. Telkens een stukje verder. Dichter bij mij, bij mijn wereld, mijn aarde. Totdat je zover bent. Totdat je sterft en bij mij wakker word. In mijn wereld, mijn aarde. Totdat we elkaar aan kunnen raken, we samen kunnen praten, lachen en spelen. Totdat we elkaar kunnen ruiken, voelen en zien. Vooral dat laatste lijkt me heerlijk. Jouw kunnen zien, maar vooral dat jij mij kan zien. Ik weet dat je bestaat, maar jij weet niks van mij. Van mijn bestaan.
Het is zo donker bij jou. Zo donker. Ik hoop dat je het licht kan vinden als ik de kaars voor je aansteek, want ik zal een kaars voor je branden. Ik zal je helpen het licht te vinden. Ik zal zorgen dat mijn kaars het helderste licht zal branden, zodat je het niet kan missen. Het zal het meest sprankelendste zijn wat je ooit hebt gezien en daarna laat ik je mijn aarde zien, mijn wereld, mijn kleuren, mijn leven. Stap voor stap, zodat je langzaam aan kan wennen. Kan wennen aan je nieuwe leven. Je leven bij mij.
Je vraagt je af wie ik ben. Dat snap ik. Ik zou willen dat ik het kan vertellen, maar dat kan ik niet. Nog niet. Later. Veel later zal je het weten zonder dat ik het je hoef te vertellen. Je zal weten wie ik ben, maar misschien weet je het al zonder het echt te weten. Verwarrend he? Klopt. Maar je weet dat ik er ben. Je weet dat ik besta. Je weet alleen niet waar ik ben. Je kan me niet vinden. Je hebt het licht van mijn kaars nog niet gezien. En dat kan ook niet. Dat kan niet omdat ik hem nog niet heb aangestoken. Ik moet hem nog laten branden. Maar zelfs als ik dat heb gedaan, dan nog zal je het niet meteen zien. Dat kan ook niet. Je moet het zoeken. Je moet het zoeken, maar niet in je eigen wereld. Je moet het zoeken in mijn wereld. Ik steek de kaars nu aan en laat hem branden. Hij brand heel helder. Het helderste licht dat ik ooit heb gezien, maar niet voor jou. Jij staat nog steeds in het donker in jou kale, saaie, grijze wereld. Wees gerust. Het duurt niet lang meer. Nog even volhouden. Binnenkort zal je het zien. Als de kleinste ster aan de hemel. De kleinste ster die als je goed kijkt het helderste, sprankelendste licht schijnt. Die ster is het begin. In het begin heel klein, maar later niet meer weg te denken. Die ster ben ik. Ik zal voor je schijnen. Ik en mijn brandende kaars.

Haar doneren?!

Ik kwam van de week op facebook een filmpje tegen van een klein meisje dat haar haren afknipt. Zelf met een grote schaar knipt ze haar mooie lokken af. Ze doet dit nadat ze naar buiten had zitten kijken en iemand aan zag komen. Ik moet dan ook eerlijk bekennen dat de tranen me in de ogen schoten toen ik zag waarom ze dit deed. Vol verwachting en met haar afgeknipte  haren in haar jurk opgevangen staat ze te wachten tot de deur open gaat. Ze heeft een glimlach van oor tot oor. Haar ouders stappen binnen en je ziet ze schrikken en tranen in hun ogen krijgen. Moeders pakt een afgeknipte lok vast. Dan pakt het meisje een pluk haar vast en reikt het naar nog iemand die binnen gekomen is. Een broertje of zusje. Door mijn eigen brandende tranen kan ik niet goed zien of het een jongetje of meisje is. Wat ik wel zie is dat hij/zij geen haar heeft. Ik kan nu niet eens meer zeggen waar het filmpje voor diende. Om ons attend te maken voor kinderen met kanker of om haar te doneren of nog ergens anders voor. Ik weet het niet. Het heeft me in elk geval wel aan het denken gezet. Iedereen van ons heeft op de een of andere manier met kanker te maken. Op wat voor een manier dan ook. De meeste van ons voelen zich dan machteloos. Je kunt niks voor die ene persoon waarvan je houd doen. Niks anders dan er voor ze zijn. Een schouder om op te huilen. Een luisterend oor voor de vele woorden en soms helemaal niks. Stilte. Er gewoon zijn. Je bent er dan gewoon. Machteloos met ontelbare emoties. Helaas heb ik zelf ook zo’n periode meegemaakt en gelukkig kan ik zeggen met een goede afloop. Zo’n filmpje maakt je dan weer eens een keer extra wakker. Zet je aan het denken. Ik zou graag anderen willen helpen, maar hoe? Ik weet het. Er is voor mij maar een goede oplossing. Ik ga mijn haren laten groeien. In ieder geval tot ze 25 cm lang zijn. Dat is namelijk de lengte die het moet hebben wil je het kunnen doneren. Ik hoop dat  ik het aan Haarwensen kan doneren. Die maken pruiken voor kinderen. Er zijn natuurlijk wel wat voorwaarden. Het haar mag niet geblondeerd zijn of met highlights  bewerkt, het moet zacht en soepel aanvoelen en een natuurlijke kleur zijn. Ik ben daar allemaal niet zo bang voor. Blond is niet mijn kleur. Mijn kleur is puur natuur en dat zou het probleem kunnen zijn. De eerste grijze haren zijn al zichtbaar en al heb ik er helemaal geen problemen mee om grijs te worden, ik kan me voorstellen dat kinderen geen grijze pruik willen. Gelukkig  ben ik miet zomaar uit het veld te slaan. Mocht tegen de tijd dat mijn haren de juiste lengte hebben er meer grijze overheersen dan weet ik dat ik de Nederlandse Haarstichting er blij mee kan maken. Die maken pruiken voor vrouwen met borstkanker en zijn ook zeker met grijze haren blij, want die worden zeldzaam gedoneerd. Nou ik kan mijn haren wel kwijt en ik hoop er zeker een kind of volwassene blij mee te kunnen maken. Nu moet het alleen nog zo’n 15 cm langer groeien. Ik ben benieuwd hoe lang dat gaat duren.

365 dagen, 365 momenten

Het is weer zover. De tijd van goede voornemens is begonnen. Persoonlijk doe ik niet echt aan goede voornemens. Ze zijn altijd maar tijdelijk en waarom een goed voornemen starten met het nieuwe jaar. Goede voornemens kan je op elk moment van de dag starten, op welke dag dan ook. Dus waarom in een nieuw jaar? Geen idee. Alleen nu wil het geval dat ik gisteren op nieuwjaarsdag onder de douche stond. Grappig ik douche wel vaker, maar nu was het toevallig nieuwjaarsdag. En op het moment dat ik mijn haren nat maak en dus met mijn hoofd enigszins achterover sta schijnt de zon in mijn gezicht. En dan bedoel ik niet zomaar een klein waterig zonnetje, maar een heerlijke zon hoog aan de hemel en fel. Zo fel als in de zomer en ik denk heerlijk. Heerlijk en ik geniet. Ik geniet van het warme water en de zon op mijn gezicht. Een moment lang krijg ik een heerlijk zomers gevoel. Mijn gedachten dwalen af naar zomerse stranden, een meeuw die roept boven de zee. Ik kan zelfs de golven horen. Het duurt allemaal maar even. Een wolk schiet weer voor de zon en alleen de tropische temperatuur van het douchewater is nog over. Die meeuw die ik hoorde vliegt niet boven de zee, maar boven de kleine vijver tegenover mijn huis. Maar wat heb ik een heerlijk moment gehad. Een moment van pure ontspanning en op dat precieze moment besloot ik stiekem toch een soort van goed voornemen te doen. Ik wil het geen goed voornemen noemen, want ik probeer het altijd te doen, maar toch. Ik heb besloten om vanaf nu elke dag, hoe vervelend of gezellig dan ook, zo’n moment te hebben. Een moment van pure ontspanning en gelukzaligheid. Mijn moment van vandaag… Mijn kinderen hebben de hele dag ontzettend lief samen gespeeld zonder ruzie te maken. De schatjes. Ik heb mijn huis weer opgeruimd en gepoetst, waardoor ik nu met pijn in mijn lijf voor de pc zit te schrijven en besef dat dit mijn momentje van vandaag is. Ik ben ontspannen, anders voel ik geen pijn. Ik ben gelukkig, want mijn huis is weer schoon en kerstvrij. Heerlijk dat besef. Heerlijk.

Tijd

De tijd vliegt. Hoe vaak hoor je het niet? Hoe lang is het alweer geleden dat je je goede vriendin of vriend zag? Een dag? Twee? Als het dan ineens drie weken blijkt te zijn geloof je het eigenlijk niet. Tijd is ons zo gewoon. We hebben het zo druk met allerlei dingen dat we soms niet de tijd nemen voor de echt leuke dingen. Even koffie drinken bij een van je vrienden bijvoorbeeld. Of gewoon samen op de bank.

Pas als je de tijd niet meer hebt, bedenk je je dat je hem nodig had. Die tien minuten die je langer in je  bed bent blijven liggen had je misschien beter kunnen besteden om je shirt te strijken. Maar zeker in deze donkere koude tijd is het zo lekker om nog even dicht tegen je partner aan te kruipen. Dan maar een gekreukeld shirt.

Soms zou je de tijd terug willen draaien. Nog een keer dat moment met die geliefde, nog een keer klein zijn. Wie wil het niet zo af en toe? Nog een keer een overleden dierbare vasthouden en zeggen dat je van ze houdt.

Er zijn dagen dat je tijd te kort komt en er zijn dagen dat de tijd voorbij lijkt te kruipen. Ondertussen moeten we genieten van elke seconde die ons gegund is, want soms door alle stress van het moeten vergeten we gelukkig te zijn en te genieten.

Stel niet uit tot morgen wat je vandaag nog kunt doen, want morgen is vandaag gisteren.

 

 

Dit is het dan.

Goed. Dit is het dan. Mijn eerste officiële blog. Lang getwijfeld nu toch gedaan. Waar ben ik aan begonnen? Ik kan alleen maar hopen dat het goed gaat uitpakken. Waarschijnlijk ben ik gewoon de zoveelste met een mooie droom. Waarom dan niet proberen om wat van die droom te maken? Al is het alleen maar voor mezelf. Ik schrijf voor mijn plezier. Puur voor mezelf. Eigenlijk te bang om het een ander te laten lezen. Want wat als een ander het niet leuk vind? Of misschien nog wel angstaanjagender, wat als ze het wel leuk vinden? Lezen ze wel over de spelfouten heen? En letten ze er niet op of de leestekens wel op de juiste plaats staan? Dat zijn de dingen waar ik me druk over maak, maar waar een ander misschien niet eens aan denkt.

Ik dacht altijd dat ik niet zo heel erg perfectionistisch was, maar ik kom er steeds meer achter dat ik dat wel ben. Als ik op mijn werk niet alles af kan krijgen, dan baal ik daar enorm van. Op dat moment, want als ik thuis ben dan denk ik er niet meer aan. Eenmaal in de auto laat ik mijn werk achter me. Meestal dan. Natuurlijk zijn er momenten dat het niet lukt. Die hebben we allemaal wel eens, maar toch ben ik er voorstander van om het werk daar te laten waar het hoort. En dat is niet thuis.

Thuis ben ik er voor mijn man en kinderen. Die zien me gelukkig graag thuis komen. Net als onze hond trouwens. Thuis voel ik me fijn, gelukkig, mezelf. En laten we eerlijk zijn. Dat is toch het fijnste wat er is?